Poetin VS Erdogan

Dit essay heb ik geschreven naar aanleiding van een opdracht voor het vak Productie van Nieuws, dat ik in het tweede blok van mijn master volgde. 

Terwijl meer dan 60 landen (in)direct oorlog voeren tegen IS, nemen de Russische president Poetin en de Turkse president Erdogan even pauze om met beschuldigende vinger naar elkaar te wijzen. Het vuur laaide op nadat de Turken op dinsdag 24 november 2015 een Russische straaljager uit de lucht schoten. Volgens Erdogan schonden de Russen het Turkse luchtruim, wat de actie zou rechtvaardigen, maar Poetin houdt vol dat het gevechtsvliegtuig door het Syrische luchtruim vloog. Het welles-nietesspelletje tussen de twee staatshoofden, dat tot diverse gevolgen heeft geleid, werd ruim een week op de voet gevolgd door internationale media. Het NOS-achtuurjournaal is één van de belangrijkste nieuwsprogramma’s op de Nederlandse tv, met dagelijks 1 tot 1,5 miljoen kijkers (Wijfjes, 2005). Volgens de website van de NOS (2015) hanteert de publieke omroep “de hoogste journalistieke eisen van zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, ongebondenheid, pluriformiteit en objectiviteit”. In dit essay vraag ik mij af of, en zo ja in hoeverre, er sprake is van partijdige berichtgeving over de ruzie tussen president Poetin en president Erdogan in het NOS-achtuurjournaal.Objectieve berichtgeving houdt volgens Broersma (2015) in dat media een onbevooroordeelde houding innemen tegenover bronnen en de wereld weergeven zoals zij is. Dit is geen makkelijke, en volgens vele onmogelijke, opgave, omdat ervaringen, de persoonlijkheid en kennis van een journalist beïnvloeden hoe h/zij een gebeurtenis interpreteert (Shoemaker & Reese, 2014). Reese (2007) spreekt daarom van de mirror hypothese, waarmee bedoeld wordt dat media de sociale werkelijkheid reflecteren, maar met beperkte vervorming. Een veelgebruikte term in onderzoeken naar objectieve berichtgeving is bias. “The root idea of bias that emerges is that it is a slant, an angle, a leaning, or a limited perspective” (Blair, 2012), waardoor een bericht met bias niet meer onbevooroordeeld, en dus niet meer objectief is. Wanneer blijkt dat de NOS partij kiest voor Poetin of Erdogan zou dit een belangrijke functie van het objectiviteitsregime schaden, namelijk het ondersteunen van de waarheidsclaim van journalistiek (Broersma, 2015). De voorkeur voor één van de presidenten hoeft niet expliciet genoemd te worden in het nieuws, het kan ook in een bepaald frame worden geplaatst. Dit betekent dat er bepaalde aspecten van een gebeurtenis (on)bewust worden geselecteerd, geaccentueerd en met elkaar in verband worden gebracht, waardoor een narratief ontstaat dat aanzet geeft tot een bepaalde interpretatie (Entman, 1993). Het conflictframe, “where two opposing perspectives are presented” (Matthews, 2015), stimuleert de interpretatie van een individu over een specifieke situatie (Schweitzer et al., 2005). Dit frame kan in de berichtgeving over Poetin en Erdogan worden herkend omdat beide partijen lijnrecht tegenover elkaar staan en het onderwerp van het nieuws zijn, hoewel Erdogan zijn perspectieven in mijn ogen beduidend minder aan bod komen.

Op de avond van het incident opent Rob Trip het NOS-achtuurjournaal met de volgende woorden: “Voor het eerst sinds de Korea-oorlog haalt een NAVO-land een Russisch toestel naar beneden. Turkse F16’s schieten een Russisch gevechtsvliegtuig uit de lucht. Poetin is woedend, de NAVO is in spoedzitting bijeen”. Dat de nieuwsuitzending met dit bericht geopend werd is niet heel verrassend; het heeft veel nieuwswaarde (Shoemaker & Reese, 2014). Er zijn namelijk twee presidenten betrokken bij de gebeurtenis; het is anders dan de normale gang van zaken; er wordt een conflict beschreven; het is zeer actueel; en het is relatief dichtbij gebeurd, op een veelbesproken locatie waar ook Nederland op dit moment bij betrokken is. Wat wel verrassend is, is de verwijzing naar de Korea-oorlog en het weglaten van de dader in de eerste zin. Door de schuldige niet direct aan te wijzen, maar de NAVO wel twee maal te noemen en de woede van Poetin te onderstrepen, lijkt de nadruk vooral op de impact en context te liggen die het voorval met zich meebrengt.

In Amerika wordt verslaggeving van kandidaatsverkiezingen onder andere getest op bias door te meten of beide partijen even vaak en lang aan bod zijn gekomen (Semetko, Blumler, Gurevitch, & Weaver, 1991). De besproken case gaat over een totaal ander onderwerp dan verkiezingen, maar er kan zeker worden gesteld dat de NOS opmerkelijk weinig aandacht heeft geschonken aan de Turken. Toch vinden sommigen dat het meten van bias op basis van kwantiteit geen goede standaard is, omdat het nieuws wordt gedreven door gebeurtenissen (Shoemaker & Reese, 1996). Doordat de reacties van Poetin fel en veelal voor de camera uitgesproken zijn, krijgt deze berichtgeving wellicht prioriteit omdat het meer indruk maakt. Desondanks tonen andere media wel reacties van de Turken, die volledig genegeerd zijn door de NOS. Op de website van Elsevier (27 november) is bijvoorbeeld te lezen dat Erdogan Poetin heeft opgebeld, maar dat de Russische president niet zou hebben opgenomen. Ook citeert The Guardian op de dag van het incident de Turkse premier Davutoglu, waaruit blijkt in welke context de Turken de gebeurtenis willen plaatsen. Doordat vooral Poetin en andere Russische bronnen een reactie geven op de gebeurtenissen in het journaal, bepalen zij hoe de kijkers worden ingewijd in het probleem en zijn zij de primary definers. “The primary definition sets the limit for all subsequent discussion by framing what the problem is” (Hall et al., 1978, p.59, zoals geciteerd in Kumar, 2013). Ondanks dat Poetin niet bepaald empathie opwekt met zijn harde woorden en felle maatregelen, schalt zijn ideologie wel door de huiskamers van de kijkers. Enerzijds blijkt dat er wel degelijk Turkse officiële bronnen zijn die aan bod hadden kunnen komen in het nieuws, maar anderzijds zijn er geen videobeelden te vinden waarop Erdogan of een andere bron in de eerste drie dagen na het incident een reactie geeft. Dit zou kunnen worden beschouwd als een gemiste kans van de Turken, en een tactische zet van de Russen. Poetin geeft namelijk zoveel commentaar tijdens persconferenties, dat er voldoende input is om zijn kant van het verhaal letterlijk te tonen. Ook geeft hij bijna elke dag nieuwe input voor het nieuws. Hiermee stelt de Russische president zijn rol als primary definer voor een groot deel veilig. In andere landen met een autoritair regime, zoals China, is het ook gebruikelijk dat de overheid bepaalt hoe er over het nieuws gesproken wordt zodat zij een bepaalde machtspositie in handen heeft (Kester, 2014). Ondanks dat Poetin zich actief opstelt als primary definer, is het aan de redactie van de NOS om hem ook op deze manier te benaderen. Daarom stellen sommige onderzoekers dat de mediaorganisatie hierdoor zelf een primary definer is (bijv. Cushion en Thomas, 2013), omdat journalisten een voortrekkersrol kunnen vervullen in “het definiëren van het probleem, creëren van een beoordelingskader en het uitspreken van een oordeel” (Ruigrok et al., 2009). Doordat de presentator direct sprak over de woede van Poetin en de spoedzitting van de NAVO, construeerde hij zelf het probleem.

Bias kan ook worden gemeten door naar het commentaar van de verslaggevers te kijken op beide kandidaten (Semetko, Blumler, Gurevitch, & Weaver, 1991). Ik vind dat Rob Trip in de nieuwsberichten opmerkelijk vaak zijn verbazing heeft laten doorklinken in zijn vragen aan de reporters, bijvoorbeeld wanneer hij aan Lucas Waagmeester in Istanbul vraagt “Waarom hebben de Turken dit gedaan, dat moeten ze toch hebben geweten hoe gevaarlijk dit kan zijn?”. De nadruk die hij legt op het woord ‘waarom’ en zijn veronderstelling suggereren dat de Turken wel een bizar goede reden moeten hebben om deze actie te begaan. Ook het antwoord van Waagmeester luidt wat vreemd; volgens hem hebben de Turken hun chagrijn op de Russen willen uiten, wat klinkt als een zwak argument. In diezelfde nieuwsuitzending zegt Trip tegen Washingtonreporter Arjan van der Horst “Je zou denken bij de NAVO zijn ze er niet blij mee met wat er allemaal gebeurt, maar Obama neemt het op voor de Turken, ze mogen zich verdedigen.” De laatste twee zinsdelen spreekt hij vol verbazing uit, waardoor het lijkt alsof de houding van Obama niet normaal is.

Op 24 november spreekt Poetin van “een dolksteek in de rug” en beweert hij dat de Turken IS steunen. Twee dagen later is op Nu.nl te lezen dat Erdogan dit tegenspreekt en juist stelt dat Poetin betrokken is bij de handel in olie en gas met IS, maar dit wordt niet genoemd in het achtuurjournaal. Doordat in vrijwel elke uitzending voornamelijk wordt ingegaan op de woede van de Russen en de maatregelen die zij treffen, bekijkt het publiek de incidenten als het ware door de ogen van Poetin. Dit blijkt ook uit de aankondiging op 25 november: “Rusland wil geen oorlog met Turkije, maar de relatie tussen de landen zal veranderen, zegt de Russische minister van Buitenlandse zaken Lavrov”. Opvallend is dat het nieuwsitem sluit met de woorden “Turkije houdt vol dat het niets fout heeft gedaan. Iedereen is boos, maar niemand wil oorlog”. Dat Rusland boos is en geen oorlog wil werd tijdens de opening van het fragment al duidelijk gemaakt, maar het aandeel van de Turken in deze opvatting blijft onduidelijk. Sterker nog, geen enkele Turkse bron komt aan bod terwijl er wel een dubieus fragment wordt getoond van een “mysterieuze man”, die onherkenbaar in beeld beweert één van de uit de lucht geschoten piloten te zijn en “de lezing van het Kremlin bevestigt”. Hier wordt geen verbazing over uitgesproken, en de reporter gaat verder met nieuwe maatregelen die de Russen hebben getroffen. Twee dagen later is het enige nieuws over deze kwestie een update over – wederom – nieuwe maatregelen van de Russen. Het ANP meldt dat Erdogan om een ontmoeting met Poetin bij de klimmaattop heeft gevraagd, maar dit komt de kijker niet te weten.

Als ik de berichtgeving over de beschreven case in één woord zou moeten omvatten, zou ik ‘opmerkelijk’ gebruiken. Na de nieuwsitems verschillende keren te hebben bekeken en theorie over de herkende concepten te hebben toegepast, kan ik niet anders concluderen dan dat de visie van de Turken zwaar ondervertegenwoordigd is in het NOS-achtuurjournaal. Een reactie van de Turken komt pas aan bod op zaterdag, vier dagen na het incident. Erdogan geeft een officiële reactie op de gebeurtenis (die hij betreurt), omdat Poetin alleen openstaat voor een gesprek als Erdogan zijn excuses aanbiedt. Het commentaar van Rob Trip verrast mij wanneer hij zegt dat het lijkt of Erdogan Poetin tegemoet wil komen met zijn uitspraak, maar dat Poetin zich hier weinig van aantrekt. Door deze uitspraak ben ik de nieuwsitems in een ander licht gaan zien. De vele sancties vanuit Moskou en de woedende uitspraken van Poetin hoeven niet te sturen naar het beschuldigen van de Turken, maar ik speculeer dat deze ook tot angst kunnen aanzetten voor Poetin zodat de kijker hem niet onderschat. Dit zou mogelijk betekenen dat de NOS wil dat de Russen als een realistisch gevaar worden gezien. Desondanks vind ik het bizar dat de visie van de Turken nauwelijks is besproken, terwijl andere media voldoende bronnen citeren en dagelijks verwijzen naar reacties van Erdogan. Daarnaast spreekt Trip zijn verbazing over de Turken meerdere keren zorgvuldig uit, terwijl niemand een duidelijk vraagteken plaatst bij het vage interview met de onherkenbare Russische ‘piloot’. Op 24 november wordt een kaartje (van Turkse komaf) getoond waaruit blijkt dat de Russen het Turkse luchtruim schonden. De reporter vertelt dat de Turken beweren de Russen tien keer te hebben gewaarschuwd in 5 minuten tijd. Vervolgens verzwakt hij dit motief met een nadrukkelijke “maar”, en zegt hij dat de Russen volgens deze kaart slechts 20 seconden over de grens met Syrië hebben gevlogen.

Op basis van deze grove analyse concludeer ik dat de NOS vooral de visie van Poetin op het incident heeft getoond zonder deze enigszins te matigen, terwijl die van de Turken niet alleen is ondervertegenwoordigd in de berichtgeving, maar ook met verbazing is aangekaart. Doordat andere media wel voldoende input van Erdogan en andere Turkse bronnen tonen, stel ik dat de NOS de ruzie tussen Erdogan en Poetin niet op een evenwichtige manier heeft benaderd. Dit betekent niet dat er partij is gekozen voor Poetin, want de gevolgen van zijn woede zijn wel erg expliciet benadrukt. In mijn ogen mogen de “hoogste journalistieke eisen” die de NOS beweert te hanteren best eens onder de loep worden genomen om in ieder geval de objectiviteit te verbeteren.

**

Literatuurlijst:

Blair, J.A. (2012). Groundwork in the theory of argumentation. New York: Springer.

Broersma, M. (2015). Objectiviteit als professionele strategie. In J. Bardoel & H. Wijfjes (Red.), Journalistieke Cultuur in Nederland (pp. 163-181). Amsterdam: Amsterdam University Press.

Cushion, S., & Thomas, R. (2013). The mediatization of politics: Interpreting the value of life versus edited journalistic intervetions in the U.K. television news bulletins. Journal of Press/Politics, 18, 360-380.

Entman, R.M. (1993). Framing: Toward clarification of a fractured paradigm. Journal of Communication, 43, 51-58.

Kester, B.C.M. (2014). Sources, transparency and narrative. Foreign correspondence in The People’s Republic of China. In M. Broersma & C. Peters (Red.), Retelling journalism. Conveying stories in a digital age. (pp.201-226). Leuven, Paris, Walpole/MA: Peeters Publishers.

Kumar, D. (2010). Framing Islam: The resurgence of Orientalism during the Bush Era. Journal of Communication Inquiry, 34, 245-277. DOI: 10.1177/0196859910363174

Matthews, J. (2015). Framing alleged Islamist plots: A case study of Britisch press coverage since 9/11. Critical Studies on Terrorism, 8, 266-283.

NOS. (2015). Taken en Missie. Retrieved from https://over.nos.nl/organisatie/taken-visie

Reese, S.D. (2007). Journalism research and the hierarchy of influences model: A global perspective. Brazilian Journalism Research, 3, 29-42.

Ruigrok, N., Scholten, O., Krijt, M., & Schaper, J. (2009). Fitna in de media: Een brongerichte mediahype. Tijdschrift voor Communicatiewetenschap, 3, 238-253.

Semetko, H.A., Blumler, J.G., Gurevitch, M., & Weaver, D.H. (1991). The formation of campaign agendas: A comparative analysis of party and media roles in recent American and Britisch elections. London: Lawrence Erlbaum Associates.

Schweitzer, M.E., DeChurch, L.A., & Gibson, D.E. (2005). Conflict frames and the use of deception: Are competitive negotiators less ethical? Journal of Applied Social Psychology, 35, 2123-2149.

Shoemaker, P.J. & Reese, S.D. (1996). Mediating the message: Theories of influences on mass media content. Second edition. New York: Longman.

Shoemaker, P.J., & Reese, S.D. (2014). Routines as conceptual model. In P.J. Shoemaker & S.D. Reese, Mediating the message in the 21st century. A media sociology perspective. (pp.168-177). New York: Routledge

Wijfjes (2005). De journalistiek van het journaal: Vijftig jaar televisienieuws in
Nederland. TMG, 8, 7-29

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s